TAMARA DE RIJK

KINDERGEDICHTEN
DUIMEN
de grote mensen doen
babbel babbel en sabbel sabbel
doet de duim in mijn mond
mijn vinger krult om ’n lokje
kleine rondjes, draai draai
hé daar springt Poes zo maar bij me
aai, poesje, aai
roetsj! over je rug als van een glijbaan
geef me maar een kopjekop
ja, jij kan spinnen en ik duimen
oeps! ik lust geen duim met haar erop
TANDENPOETSEN
dag kindje in de spiegel
met je boze gezicht
dag kindje in de spiegel
met je mond stijf dicht
wil jij je tanden niet poetsen?
mondje open, zeg eens a
ja, kindje in de spiegel, doe maar na
poets poets poets
op de borstel bijten en weer los, dat voelt raar
tandjes boven, tandjes onder
poets poets poets, nu is het klaar!
spoelen: wangen vol, bol plat bol plat
...klets! kindje lacht
mama pakt me op, de spiegel is kletsnat
dag kindje in de spiegel
met je schone tanden en je stoute lach
dag kindje in de spiegel
ik ga, tot morgen, dag!
VANDAAG
Ik verander continu:
gisteren was ik morgen,
morgen ben ik gisteren.
Toch leef ik in het nu.
GROEN
Als jij mij nu
hier in de schaduw, in het park
op dit droge, kriebelige gras
dan zou ik
dan zou ik zonder overdrijven
alle sprietjes omhelzen
en glimmen als de vijver.
Als jij mij nu
hier in de luwte, in de stad
op deze plakkerige dag
dan zou ik
dan zou ik voor even altijd
tollen als de aardbol
en alle wespen ijsjes geven.
Als jij mij, zoals ik jou
dan was, dan zou
dan zou ons stukje gras
het allergroenste zijn.