top of page
TAMARA DE RIJK
KINDERGEDICHTEN
DUIMEN
De grote mensen doen
babbel babbel en sabbel sabbel
doet de duim in mijn mond.
Mijn vinger krult om ’n lokje,
kleine rondjes, draai draai,
hé, daar springt Poes zo maar bij me.
Aai, poesje, aai.
Roetsj! over je rug als van een glijbaan.
Geef me maar een kopjekop,
ja, jij kan spinnen en ik duimen,
oeps! ik lust geen duim met haar erop.
GROEN
Als jij mij nu
hier in de schaduw, in het park
op dit droge, kriebelige gras,
dan zou ik,
dan zou ik zonder overdrijven
alle sprietjes omhelzen
en glimmen als de vijver.
Als jij mij nu,
hier in de luwte, in de stad,
op deze plakkerige dag,
dan zou ik,
dan zou ik voor even altijd
tollen als de aardbol
en alle wespen ijsjes geven.
Als jij mij, zoals ik jou,
dan was, dan zou,
dan zou ons stukje gras
het allergroenste zijn.
bottom of page